LinQ-didactiek

De LinQ-didactiek is gebaseerd op 5 basisprincipes. Die maken het talenonderwijs efficiënter en aantrekkelijker. Het doel is dat leerlingen de taal zo goed beheersen dat ze met gemak in het buitenland kunnen gaan studeren of werken.

1. ‘Doeltaal = voertaal’

Je spreekt Duits of Frans met je leerlingen. Je kiest een aantal zinnen die de leerlingen kunnen begrijpen in de doeltaal en waarop ze ook kunnen reageren in de doeltaal. Hiermee verlaag je de drempel voor leerlingen om een vreemde taal te spreken. Dit breid je steeds verder uit tot jullie uiteindelijk de hele les in de doeltaal spreken.

2. Activerende en taakgerichte werkvormen

Je hangt de lesstof op aan een bepaald onderwerp. Zo maak je taaie grammatica of woordenschat relevant voor de leerlingen. Daarnaast bedenk je creatieve manieren om de leerlingen actief bij de les te betrekken. Je zet daarbij meerdere zintuigen in waardoor de stof beter blijft hangen.

3. Aandacht voor land, cultuur en actualiteit

Je besteedt aandacht aan gewoontes en gebruiken in Duitsland of Frankrijk. Zo voorzie je de taal van een context. Je maakt daarbij onder andere gebruik van actuele bronnen.

4. Authentieke taalsituaties

Je creëert tijdens de les situaties waarbij de leerling de doeltaal wel moet spreken. Dat kun je bijvoorbeeld doen door een eTwinning-project op te zetten, een native speaker uit te nodigen of aan te stellen, of door te kiezen voor lesmateriaal dat alleen is geschreven in de doeltaal.

5. Europese standaarden

Je laat je leerlingen examen doen voor een internationaal erkend taalcertificaat. Zo maak je het ze gemakkelijk om in het buitenland hun taalniveau aan te tonen. Je kunt ze voor Frans examen laten doen voor DELF junior. Voor Duits kun je kiezen tussen het Goethe-Zertifikat en het Deutsches Sprachdiplom (DSD).

Daarnaast help je je leerlingen door uit te leggen op welk niveau van het ERK ze de taal beheersen, zodat ze zelf hun Europees Taalportfolio en hun Europees curriculum vitae kunnen maken.

Laatste wijziging: 08-05-2018 10:20