Minister Van Engelshoven

Ingrid van Engelshoven over haar visie op internationalisering

Hoeder van de toegankelijkheid
meer over:
Haar visiebrief over internationalisering was begin juni voorpaginanieuws. Minister Ingrid van Engelshoven is overtuigd van de meerwaarde van internationalisering van het hoger onderwijs, maar houdt de ontwikkelingen wel nauwlettend in de gaten.
15 minuten

De minister vindt ook dat niet alle heil uit Den Haag moet komen. ‘Instellingen moeten hun verantwoordelijkheid waarmaken.’

In een tijd waarin internationalisering onder vuur ligt, blijft de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het belang van internationalisering in het hoger onderwijs benadrukken en betreurt ze de polarisatie in het debat. Toch laat ze het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek onderzoek doen naar de meerwaarde van internationalisering.

In een tijd waarin internationalisering onder vuur ligt, blijft de nieuwe minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het belang van internationalisering in het hoger onderwijs benadrukken en betreurt ze de polarisatie in het debat. Toch laat ze het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek onderzoek doen naar de meerwaarde van internationalisering.

Waarom? De meerwaarde van internationalisering staat voor u toch buiten kijf?

“Internationalisering heeft een meerwaarde voor onze kenniseconomie. En ik gun iedere student die internationale ervaring. Die is voor iedereen relevant. Je komt later, of je nou in Nederland blijft of naar het buitenland wil, toch vaak in een context te werken waar je te maken krijgt met meerdere culturen, met internationale contacten. Maar het is goed om te kijken of we die meerwaarde kunnen onderbouwen met feiten en cijfers. Want in de samenleving is hier discussie over.”

Is die meerwaarde onvoldoende bekend?

“Helaas wordt de discussie heel gepolariseerd gevoerd. Je bent voor of je bent tegen internationalisering. Terwijl dat niet de discussie is waar het om draait. Ik denk dat het goed is om nog eens duidelijk te maken wat de meerwaarde is en hoe we daarvan maximaal kunnen profiteren.”

Denkt u critici zo de mond te kunnen snoeren?

“Ik hoop altijd – daar moet je als politicus optimistisch over zijn – dat je mensen kunt overtuigen met goede argumenten.”

U schrijft dat in sommige gevallen in het hoger onderwijs de grens aan de internationalisering lijkt te zijn bereikt. Kunt u daar voorbeelden van noemen?

“De indruk ontstaat soms dat we worden overspoeld door een enorme hoeveelheid buitenlandse studenten. Dat valt best mee. Natuurlijk, we hebben er meer dan het Europese gemiddelde. Maar het is maar een handjevol opleidingen waar, mede door de toestroom van buitenlandse studenten, een fixus nodig is.”

Bij die opleidingen is wel een grens bereikt?

“Vanuit een Engelstalige opleiding in Delft kwam de vraag om een fixus. De toestroom van buitenlandse studenten was zo groot, dat ze zich afvroegen of ze op termijn nog een gebalanceerde international classroom konden bieden. Ze hadden behoefte aan sturing.

Ik begrijp ook de sentimenten bij veel Nederlanders. Die zeggen terecht: wij betalen met Nederlands belastinggeld ons hoger onderwijs. Zij maken zich zorgen of hun kind straks nog terecht kan op een Nederlandse universiteit met de buitenlandse toestroom. Ik wil dat kunnen garanderen. Daar moet je zorgen dat je niet een grens over gaat.”

‘Er zijn - terecht - klachten van studenten over de kwaliteit van het Engels’

Hoe bewaakt u die grens?

“Uitgangspunt blijft dat het onderwijs in Nederland in het Nederlands moet worden gegeven. Als je overstapt op het Engels, moet je weten waarom je dat doet en of de kwaliteit en de toegankelijkheid voldoende geborgd zijn. Voor veel jongeren is de overstap naar het hoger onderwijs een grote stap. Die stap kan wel eens te groot worden, als je in het Engels moet gaan studeren. Dus moet je zorgen dat zij ook in het Nederlands een opleiding kunnen volgen. Mijn rol zie ik als hoeder van de toegankelijkheid. Met deze brief heb ik mensen die zich daar zorgen over maken gerust willen stellen.”

U schrijft dat u hecht aan vertrouwen in de sector, maar er komt een behoorlijk strakke regie op taalbeleid: centrale registratie, opname in het accreditatieproces. Is dat niet tegenstrijdig?

“Vertrouwen in de sector betekent niet dat je niet mag toezien op kwaliteit. Ik wil zo veel mogelijk uitgaan van vertrouwen, maar ik moet wel instrumenten achter de hand hebben om te sturen. Nu zien we dat iedere opleiding voor zich een keuze maakt in het taalbeleid.

Daar voel ik me wel verantwoordelijk voor. Er zijn - terecht - klachten van studenten over de kwaliteit van het Engels. Het is heel goed als universiteiten en hogescholen die kwaliteit zelf borgen, ik vind ook dat ze dat moeten doen. Maar waarom zou ik dat niet onderdeel maken van de accreditatie door de NVAO? Het hoort gewoon bij die kwaliteit. Het zou gek zijn als de accreditatie daar dan niet op toeziet.”

‘De ‘S’ van VSNU had hier wat steviger tot uitdrukking moeten komen’

Vindt u dat internationalisering tot nu toe te veel op zijn beloop is gelaten?

“De ‘S’ van VSNU had hier wat steviger tot uitdrukking moeten komen. Ik betwijfel of altijd het gesprek is gevoerd over wie een opleiding in welke taal aanbiedt, en hoe dat wordt verdeeld. Wat meespeelt, is dat de toewijzing van de bekostiging grotendeels afhangt van het aantal studenten. Universiteiten hebben er belang bij om hun aandeel in de koek te houden. Daar moeten we goed naar kijken als we de bekostigingssystematiek gaan bespreken.”

In hoeverre vindt u de angst terecht dat er een tweedeling ontstaat door de toenemende verengelsing? Bijvoorbeeld door een Engelstalige track, met vooral excellente studenten, naast een Nederlandstalige track van een opleiding.

“Een numerus fixus op de Engelstalige track van een opleiding is een mogelijk sturingsmechanisme. Maar je moet voorkomen dat de Nederlandse en de Engelse track ongelijkwaardig naast elkaar bestaan. Het mag niet zo zijn dat de briljante jongeren geselecteerd worden voor de Engelstalige track. Je moet waken voor kansengelijkheid en brede toegankelijkheid. Dus ik wil echt kritisch bekijken hoe dit gaat uitwerken. Wordt er bijvoorbeeld net zoveel geïnvesteerd in goede kwaliteit van Nederlandstalige opleidingen als van Engelstalige?”

In uw brief staat: internationalisering vergt een investering, maar de rendementen voor de Nederlandse economie wegen daar ruimschoots tegenop. Een punt van kritiek is dat dat geld niet ten goede komt aan het hoger onderwijs. Is daar iets aan te doen, mede gezien de tekorten op de begroting?

“Ik snap de vraag vanuit het perspectief van het onderwijs. Maar als we per sector een hekje gaan zetten om de belastingopbrengsten, lijkt me dat niet zo gezond. Dat is geen vruchtbare afweging van ‘hoe besteden we publieke middelen’. Het kabinet maakt een brede afweging en kijkt naar alle noden.”

U bekijkt de mogelijkheden om de instroom van buitenlandse studenten te reguleren, bijvoorbeeld door hoger collegegeld voor niet-EER-studenten. Maar er komt ook een limiet aan de hoogte van het instellingscollegegeld.

“Het debat in de Kamer over het maximeren van het collegegeld had vooral te maken met mensen die een tweede studie willen volgen. Je zou best kunnen differentiëren in de hoogte van het instellingscollegegeld. Als je maximaal de kostprijs mag vragen, dan is er bij universiteiten nog heel veel ruimte om daarop te sturen.”

De Onderwijsraad adviseerde om binnen Europa naar selectie-instrumenten te kijken. Hoe kansrijk acht u dat?

“Ik heb daar nog geen concreet beeld van. We voeren met elkaar een discussie over mobiliteit binnen Europa. In de ministersconferentie van Bologna (eind mei in Parijs, red.) heb ik gezegd: de braingain voor het ene land is de braindrain voor het andere land. We moeten ook bekijken of dat tot resultaten leidt die we wenselijk vinden.”

Ingrid van Engelshoven

Voor de uitgaande mobiliteit in het hoger onderwijs noemt u geen streefwaarde. Waarom niet?

“Ik hoop op meer diplomamobiliteit. Met de studiepuntmobiliteit gaat het best wel goed. Als ik heel eerlijk ben, moet ik voorzichtig zijn met doelstellingen. Want ik heb niet veel extra middelen om mobiliteit met extra beurzen te stimuleren.”

In het regeerakkoord staat dat het voor Nederlandse studenten makkelijker moet worden om een studie te volgen in het buitenland. Hoe draagt uw beleid daar dan aan bij?

“Erasmus+ is een belangrijk programma. De + gaat er straks vanaf, maar er komt wel geld bij.”

Dat doet Europa. En dit is iets uit uw regeerakkoord.

“Ik kreeg te maken met een regeer akkoord waar dat wel in een zin was opgeschreven, maar niet in een financiële regel. Men kan niet van mij verwachten dat ik nieuwe beurzen ga opduiken zonder extra financiën.”

U heeft het over kansengelijkheid, maar uit cijfers blijkt dat meer studenten met hoogopgeleide ouders naar het buitenland gaan dan eerstegeneratiestudenten. Hoe wilt u dan toch zorgen voor kansengelijkheid?

“Het is niet zo dat je naar het buitenland móet. Maar eerstegeneratiestudenten moeten wel dezelfde mogelijkheden hebben. Dat wil niet zeggen dat je pas kansengelijkheid hebt als ze in exact dezelfde mate mobiel zijn. Als jij uit een omgeving komt waar iedereen altijd naar het hoger onderwijs ging, er veel gereisd wordt en buitenlandervaring veel meer vanzelfsprekend is, dan is de kans op studie-ervaring in het buitenland groter. Je kunt niet van eerstegeneratiestudenten verwachten dat ze allemaal onderwijs doen in het Engels en ook nog eens naar het buitenland gaan. Emancipatie gaat vaak stap voor stap.”

Studenten geven aan dat vooral financiën een grote drempel zijn. Dat blijkt bij eerste-generatie studenten extra het geval. Kunt u daar niks aan doen?

“Ik heb geen ruimte voor financiële instrumenten. Ik zeg ook tegen die studenten: maak gebruik van Erasmus+. De mogelijkheden van dat programma worden uitgebreid. Wij hebben gekeken naar de mogelijkheid om extra studiefinanciering te kunnen meenemen. Er zitten risico’s aan, als studenten met geleend geld naar het buitenland gaan. Je moet het daarna wel weer kunnen innen. Ik ben ook verantwoordelijk voor de houdbaarheid van het stelsel op de lange termijn.”

”Je kunt niet van eerstegeneratiestudenten verwachten dat ze allemaal onderwijs doen in het Engels en ook nog eens naar het buitenland gaan.”

Begin vorig studiejaar was er veel commotie over de huisvesting van internationale studenten. De Kamer drong aan op een nieuw Actieplan Studenten huisvesting. Komt dat er?

“Instellingen moeten hier met de lokale overheden goede afspraken over maken. Als je buitenlandse studenten werft, als je een opleiding in het Engels aanbiedt en dus weet dat er buitenlandse studenten komen, dan heb je ook de verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat die gehuisvest kunnen worden. Dat is iets wat je vanuit Den Haag nauwelijks kunt sturen.”

Universiteiten en hogescholen vragen om betere referentie ramingen van OCW. De afgelopen jaren werden structureel te lage aantallen buitenlandse studenten voorspeld, waardoor het lastig was om de huisvesting goed te regelen.

“Jij-bakken heeft hier niet zoveel zin. De afwijkingen op onze ramingen zijn niet zo groot. Zorg dat je voorbereid bent als er buitenlandse studenten komen. Docenten moeten de taal machtig zijn en de juiste didactische vaardigheden hebben. Zo moet je ook over huisvesting hebben nagedacht.”

De VSNU en de Vereniging Hogescholen pleiten in hun internationaliseringsagenda voor een veel ambitieuzer scenario: 40.000 internationale studenten meer in 2029 dan er nu worden verwacht. Maar dat is een afweging voor de politiek, vinden zij.

“Er ligt een opgave bij de VSNU en de VH om te zorgen dat de internationalisering die er nu is in goede banen wordt geleid. Ik vind het wat gemakkelijk om een ambitie uit te spreken en de risico’s op het bord van de politiek neer te leggen. Als zij vinden dat er ruimte moet zijn voor meer internationale studenten, moeten ze ook aangeven hoe zij hun verantwoordelijkheid waarmaken voordat ze de vraag bij een ander leggen.”

Ze schrijven: Nederland moet wel, anders komen we in de knel door de vergrijzing.

“Als je ruimte wilt in het maatschappelijk debat voor zo’n ambitieus scenario, laat dan eerst zien dat je de verantwoordelijkheid neemt voor de taken die nu op je bordje liggen. Internationalisering heeft meerwaarde, maar we horen ook kritische geluiden in de samenleving. Dat moeten de instellingen zich ook aantrekken en ook zij moeten hun verantwoordelijkheid nemen om te zorgen dat we dat draagvlak in de samenleving houden. De politiek moet laten zien dat we dat belang van internationalisering maatschappelijk in goede banen leiden. Dat is nu de eerste opgave.”

Nog meer nieuws over internationalisering in onderwijs? Schrijf je in voor onze nieuwsbrief en blijf altijd op de hoogte.

Nuffic op EfVET 2019

17 oktober 2019
Dit jaar is Nuffic aanwezig op de jaarlijkse EfVET-conferentie, hét Europese evenement voor het middelbaar beroepsonderwijs.

Schoolreis uitgelezen moment voor internationalisering

10 september 2019
Met de klas een paar dagen naar Rome of Londen. Het zorgt voor onvergetelijke herinneringen. Leerlingen maken kennis met andere culturen, talen en eetgewoonten. Waarom is internationalisering zo belangrijk?

Conferentie Taal en wereldburgerschap in het vo: the next level

15 november 2019 09:30 - 17:00
ReeHorst, Ede
In onze internationaler wordende samenleving spelen taal- en (wereld)burgerschapsonderwijs een hoofdrol. Kom naar de conferentie waar deze belangrijke onderwerpen centraal staan.