Partners en projecten
Nederlandse hogeronderwijsinstellingen kunnen voorstellen indienen voor Joint Projects en Structural Measures. In beide soorten projecten dient met zowel EU-lidstaten als Tempuspartnerlanden te worden samengewerkt.
Joint Projects en Structural Measures
De doelstellingen van Joint Projects liggen op het niveau van de instellingen. Structural Measures hebben betrekking op het hogeronderwijssysteem op nationaal niveau.
Bij de Structural Measures moeten de betrokken overheidsinstanties in het partnerland het project dan ook formeel steunen. Beide soorten projecten kunnen in één of meerdere partnerlanden worden uitgevoerd.
Nationale en multi-countryprojecten
Nationale projecten hebben betrekking op één Tempuspartnerland. Ze dienen zich op de nationale prioriteiten van het desbetreffende land te richten.
Multi-countryprojecten, waarbij meerdere partnerlanden betrokken zijn, dienen zich uitsluitend op de programmabrede prioriteiten te richten.
Om het Tempusprogramma een zo groot mogelijke impact te geven, hebben multi-countryprojecten de voorkeur.
Lees meer over de prioriteiten
Projectvoorstellen indienen
Hogeronderwijsinstellingen uit een EU-lidstaat of een Tempus-partnerland kunnen projectvoorstellen indien. Als de aanvrager een Europese hogeronderwijsinstelling is, moet deze een Erasmus University Charter (EUC) hebben.
Ook netwerken van hogeronderwijsinstellingen kunnen een aanvraag indienen.
Voorstellen voor Structural Measures kunnen bovendien worden ingediend door overheden (bijvoorbeeld een ministerie van Onderwijs) en door nationale of internationale studenten-, docenten- of rectorenorganisaties.
De aanvrager is de zogenoemde ‘Grant Holder’. Deze is juridisch verantwoordelijk. In de praktijk kan de projectcoördinatie echter bij een andere partner van het consortium liggen.
Partners
Bij nationale projecten moet het begunstigde land met ten minste drie hogeronderwijsinstellingen in het projectconsortium vertegenwoordigd zijn. Bij multi-countryprojecten volstaat één hogeronderwijsinstelling per partnerland.
Voor zowel nationale als multi-countryprojecten geldt, dat er moet worden voldaan aan een minimumaantal van drie Europese partners. Daarnaast komen de volgende instanties in aanmerking als partner in het consortium:
- niet-gouvernementele organisaties (NGO’s);
- sociale partners (of opleidingsinstituten daarvan);
- Kamers van Koophandel en andere beroepsorganisaties;
- bedrijven.

