Partners en projecten

06 jun 2008

Nederlandse hogeronderwijsinstellingen kunnen voorstellen indienen voor zogenaamde 'Joint Projects' en 'Structural Measures'.

In beide soorten projecten dient met zowel EU-lidstaten als Tempus-partnerlanden te worden samengewerkt. Op deze pagina vindt u een nadere toelichting van de mogelijkheden.
 

Joint Projects en Structural Measures

De doelstellingen van Joint Projects liggen op het niveau van de instellingen; Structural Measures hebben betrekking op het hogeronderwijssysteem op nationaal niveau. Bij de Structural Measures dienen de betrokken overheidsinstanties in het partnerland het project dan ook formeel te steunen. Beide soorten projecten kunnen of in één of in meerdere partnerlanden worden uitgevoerd.
 

Nationale en multi-country projecten

Nationale projecten hebben betrekking op één Tempus-partnerland en dienen zich op de nationale prioriteiten van het desbetreffende land te richten. Multi-country projecten, waar meerdere partnerlanden bij betrokken zijn, dienen zich uitsluitend op de programmabrede prioriteiten te richten. Om het Tempusprogramma een zo groot mogelijke impact te geven wordt de voorkeur gegeven aan multi-country projecten.

Meer over de prioriteiten kunt u vinden op de prioriteitenpagina.
 

Projectvoorstellen indienen

Projectvoorstellen kunnen worden ingediend door hogeronderwijsinstellingen uit een EU-lidstaat of een Tempus-partnerland. Indien de aanvrager een Europese hogeronderwijsinstelling is dient deze over een Erasmus University Charter (EUC) te beschikken. Daarnaast kunnen ook netwerken van hogeronderwijsinstellingen een aanvraag indienen. Voorstellen voor Structural Measures kunnen bovendien worden ingediend door overheden (bijvoorbeeld een ministerie van Onderwijs) en door nationale of internationale studenten-, docenten- of rectorenorganisaties.

De aanvrager is de zogenaamde Grant Holder en geldt als juridisch verantwoordelijke, maar in de praktijk kan de projectcoördinatie bij een andere partner van het consortium liggen.
 

Partners

Bij nationale projecten dient het begunstigde land met ten minste drie hogeronderwijsinstellingen in het projectconsortium vertegenwoordigd te zijn, terwijl bij multi-country projecten één hogeronderwijsinstelling per partnerland volstaat. Voor zowel nationale als multi-country projecten geldt dat er moet worden voldaan aan een minimum aantal van drie Europese partners. Daarnaast komen de volgende instanties in aanmerking als partner in het consortium:

  • Niet-gouvernementele organisaties (NGO’s)
  • Sociale partners (of opleidingsinstituten daarvan)
  • Kamers van Koophandel en andere beroepsorganisaties
  • Bedrijven

 

Share |