'Survey on Substantial Differences': resultaten van een Europees project
15 dec 2008
In 2008 heeft de afdeling Onderwijsvergelijking van de Nuffic als projectcoördinator het NARIC-project 'Survey on Substantial Differences' uitgevoerd. Uitgangspunt was om Europabreed aan de hand van concrete voorbeelden vast te stellen hoe NARIC's met de toepassing van wezenlijke verschillen omgaan. De resultaten zijn verrassend te noemen.
Het projectteam bestond uit de NARIC's van Nederland, het Verenigd Koninkrijk, Litouwen en Noorwegen. Gezamenlijk werd een tiental voorbeelden verzameld uit de dagelijkse praktijk, die representatief zijn voor een aantal vaak voorkomende en lastig te interpreteren wezenlijke verschillen. Deze cases werden eerst door de vier genoemde NARIC's geëvalueerd. Uit de verschillende antwoorden werd een survey samengesteld die aan het gehele NARIC-netwerk werd voorgelegd.

Hen werd gevraagd aan te geven welke van de opties overeenkwam met de eigen evaluatie van de betreffende kwalificatie, of om een eventueel afwijkende manier van evalueren te beschrijven. Ook werd gevraagd om alle gegeven opties te waarderen in termen van best practice, good practice, acceptable practice of unacceptable practice. Bijna de helft van de NARIC'S vulde de enquête in, waaronder die in de vijf grootste EU-landen. De resultaten zijn inmiddels verwerkt in een artikel dat gepubliceerd zal worden in een nieuw deel uit de Higher Education Series van de Raad van Europa.
Formele rechten
De meest opvallende conclusie van het project is dat in vrijwel alle gevallen de formele rechten van het diploma in het thuisland de doorslag geven. Deze rechten (toelaatbaar tot vervolgopleidingen of niet) worden zoveel mogelijk overgenomen door de meerderheid van de NARIC's, zonder al te veel naar andere argumenten te kijken. Zo bleek het al dan niet overeenkomen van de leeruitkomsten met de vereisten voor de vervolgopleiding van ondergeschikt belang te zijn in de meeste Europese landen.
Dit werkt twee kanten op: als de leeruitkomsten in principe voldoende zijn, maar de formele rechten schieten tekort, wordt in meerderheid erkenning onthouden. Als de leeruitkomsten tekortschieten, maar de formele rechten zijn vergelijkbaar, wordt in meerderheid tot erkenning overgegaan. Naar onze mening wordt er echter in beide gevallen een (erkennings)beslissing genomen die niet in het voordeel van de betrokken student uitpakt.
Leeruitkomsten
In de waarderingsscores van de diverse opties was een duidelijke trend waar te nemen in de richting van erkenning op basis van leeruitkomsten. De winnende ‘formele’ optie kreeg lang niet altijd de hoogste waardering als best practice of good practice, maar de leeruitkomstenoptie vaak wel. In de toelichting gaven sommige NARIC's aan dat ze de leeruitkomsten meer gewicht zouden willen geven in de evaluaties, maar dat ze nog over onvoldoende informatie en methodologie beschikken om dit ook daadwerkelijk te kunnen doen.
Bandbreedte van erkenningsbeslissingen
Verder heeft het project duidelijk gemaakt dat er over het algemeen nog weinig overeenstemming is tussen de NARIC's over de interpretatie van wezenlijke verschillen. In sommige gevallen blijkt de diplomahouder in het ene land volledige erkenning te verkrijgen en in het volgende land een totale afwijzing te ondergaan. Dit is niet in overeenstemming met de ontwikkelingen in het Bolognaproces, waarin het de bedoeling is om ook de Europese erkenningspraktijk meer te laten convergeren.
Het lijkt ons daarom wenselijk dat het NARIC-netwerk afspraken maakt over een zekere bandbreedte van erkenningsbeslissingen, eventueel op basis van concrete voorbeelden zoals gebruikt in ons project. Vooruitlopend op dergelijke ontwikkelingen lijkt het ons ook voor de Nederlandse situatie waardevol om in overleg met de instellingen een set van standaardgevallen te ontwikkelen waarin we de grenzen aangeven van wat wel en niet aanvaardbaar is om als wezenlijk verschil te worden aangemerkt. De afdeling Onderwijsvergelijking zal hiertoe het komende jaar verdere initiatieven ontwikkelen.