Bepalen van studielast
Het ECTS gaat bij het bepalen van de studielast uit van de ‘gemiddelde student’ ('typical' of 'average student'): wat kan een gemiddelde student doen in een vooraf bepaalde tijdsperiode?
Daarbij wordt verondersteld dat de verwachtingen van de docent(en) en de werkelijkheid die de student ervaart, met elkaar overeenstemmen. Bij het vaststellen van de studielast (of nominale werklast) wordt onderscheid gemaakt tussen gemodulariseerde programma’s en niet-gemodulariseerde programma’s.
Gemodulariseerde programma’s
Gemodulariseerde programma’s in het ECTS zijn gebaseerd op vaste studiepunteenheden. Bij een eenheid van 5 ECTS-studiepunten kennen modulen dan een omvang van bijvoorbeeld 5, 10, 15 of 20 ECTS-studiepunten. Het model van 5 studiepunten of een veelvoud daarvan ontwikkelt zich binnen Europa tot norm. Maar ook modellen gebaseerd op 6 studiepunten komen voor.
Modulen met een lagere studielast dan 5 ECTS-studiepunten worden sterk afgeraden. Ze leiden namelijk tot te veel colleges en toetsingmomenten en daardoor tot een te sterke versnippering. Dat is slecht voor de studeerbaarheid.
Bij gemodulariseerde programma’s staat de studielast per onderwijseenheid vast. Dat betekent dat de omvang van de te doceren, te leren en te toetsen stof wordt aangepast aan het aantal beschikbare studiepunten.
Niet-gemodulariseerde programma’s
Bij een niet-gemodulariseerd programma is de totale leerstof per jaar het uitgangspunt. De ECTS-studiepunten worden verdeeld over de te programmeren collegeonderdelen. De omvang van de leerstof bepaalt dan het aantal toe te wijzen studiepunten per onderdeel.
Hoewel flexibeler, leidt dit model vaak tot minder stabiele en evenwichtige programma’s. De neiging bestaat om het aantal studiepunten regelmatig aan te passen aan de ontwikkelingen in het vakgebied. Bij een gemodulariseerd programma wordt in zulke gevallen de (aard van de) leerstof bijgesteld, en niet de omvang.
Knelpunt
Het berekenen van de studielast binnen de vooraf bepaalde kaders is een belangrijk knelpunt in het Europese onderwijs. Vakgebieden verschillen soms sterk van elkaar, en er worden verschillende leer-, doceer- en toetsvormen gehanteerd. Daardoor valt er geen standaardmodel te ontwikkelen.
Per college (module) moet de docerende staf uitrekenen wat de student kan doen in de aangegeven tijd. Het wordt sterk aangeraden om, zeker bij nieuwe colleges, via een enquête onder studenten vast te stellen of de gemaakte berekeningen overeenkomen met de door de studenten ervaren werkelijkheid.
Voor het berekenen van de studielast per studieonderdeel is in het kader van het Tuningproces een eenvoudig model ontwikkeld. Zie hiervoor de publicatie Tuning Educational Structures in Europe – Universities’ Contribution to the Bologna Process: An Introduction, door Julia González en Robert Wagenaar.

